Op 8 maart heeft de Kamer van Inbeschuldigingstellingen beslist dat de Koerdische leden en leiders gelinkt aan de PKK (partij van de arbeiders van Koerdistan) niet voor terrorisme vervolgd kunnen worden.

De rechters hebben geoordeeld dat er een intern gewapend conflict bestaat en dat de Turkse staat enerzijds, en de PKK anderzijds, strijdende partijen zijn in dit conflict.

De PKK is georganiseerd als een guerrilla-beweging met een militaire hiërarchie waardoor hen deze hoedanigheid van conflictpartij wordt verleend. 

De daden die zij stellen worden dan ook uitgesloten uit de antiterroristische wetgeving op basis van artikel 141bis van het Strafwetboek.

Dit betekent niet dat de daden die verricht worden door Turkije en de PKK buiten het recht gelegen zijn, maar wel dat het internationaal humanitair recht (recht van de gewapende conflicten) van toepassing moet zijn.

PLN heeft altijd volgehouden dat er een verschil moest worden gemaakt tussen een nationale bevrijdingsbeweging, een guerrilla en een terroristische organisatie.